Social Distancing

Ik draai de kraan wijd open. Het kletterende water overstemt zelfs de fluitende vogeltjes. Geurige stoom kringelt richting het openstaande raam. De lucht is strakblauw, zonder ook maar één witte streep. Het luchtruim is stil.
Mijn badkuip, mijn lievelingsmeubelstuk, is één meter negentig lang en bijna een meter breed. Het duurt eindeloos voor het bad vol is maar ik heb de tijd. Alle tijd. Op deze doordeweekse dinsdag om tien voor negen ’s ochtends heb ik zeeën van tijd.
Normaal gesproken zou ik nu op kantoor naar mijn computer staren, een dampend kopje thee voor mijn neus dat daar is neergezet door mijn lieve collega die er áltijd eerder is dan ik. Er is in het hele bedrijf niemand die nog hoeft te vragen welke smaak ik wil. Thuis vraagt ook niemand het.
Ik staar in de spiegel naar mijn bleke gezicht en borstel mijn haar. Ik zie er bescheten uit, ik zou mijn wimpers weer eens moeten laten verven. Mijn horloge, op de rand van de wastafel geeft 9.00 uur aan. Dat is doorgaans de tijd voor collega twee om het kantoor te betreden, gevolgd door zijn rolkoffer en een frisse aftershave. Op school beginnen mijn kinderen met godsdienst. Opschieten nu.
Het bad is heet en toch krijg ik kippenvel als ik er in stap. Quarantaine. Daar wist ik zó weinig van dat ik, taalnazi als ik ben, moest opzoeken hoe je het schrijft. Qua·ran·tai·ne. Die letters horen niet naast elkaar te staan en het begrip hoort niet in mijn leven. Maar het is overal om ons heen.
Social distancing. Wie mij goed kent weet dat ik niets liever doe dan mezelf social distanzen van de rest van de wereld. Maar binnenshuis heerst er juist een groot gebrek aan social distancing. We zitten dag en nacht op elkaars lip. Niemand heeft de woonkamer voor zichzelf. Wil je de laptop gebruiken dan dient er overlegd te worden. De vraag “wat eten we vandaag?” is vervangen door “wat hebben we in huis?” of wordt gevolgd door “en wie gaat dat halen?”
De muzieklessen die ik op scholen zou gaan geven zijn nu alleen nog dikke strepen in mijn strak geplande agenda. Onze gedeelde 120 leerlingen (waarvan er maar 10 van mij zijn) moeten videolessen krijgen, geskyped worden en in de gelegenheid zijn om hun vragen te kunnen stellen. Telefoons piepen de hele dag. De buurvrouw belt aan of we willen stoppen met musiceren in de woonkamer omdat zij ook thuis werken. We bakkeleien over wie wanneer in de lesruimte mag. De kinderen vragen hulp bij het schoolwerk dat dagelijks afgewerkt dient te worden. Ik ben hun juf, moeder, zuster, huishoudster, kok en politieagent tegelijk terwijl ik ook muziekjuf, kantoormiep en echtgenote probeer te spelen. We maken ons zorgen over geld. Al mijn concerten in de aankomende passie- en paastijd zijn gecanceld. Sommige leerlingen zien niets in digitale lessen en “zien wel weer als we weer naar buiten mogen”.
Echtgenoot maakt zich ongerust: Kan hij de leerlingen voldoende bieden om ons inkomen op peil te houden? Collega’s proberen hun weg te vinden in dit nieuwe digitale landschap en overleggen via Skype. Confronterend, hoe je eigen spookhoofd je in een onflatteuze hoek blijft aankijken tijdens elk gesprek.

Iedere dag begint met het inloggen op Google Classroom voor Zoon, waarna er stapels werk moeten worden uitgeprint. Wat digitaal gemaakt moet worden gaat 9 van de 10 keer eerst mis en behoeft acute hulp. Dochter heeft haar eigen weektaak en werkboeken van school waarbij ze begeleiding nodig heeft. Ze zat net met de ambulant begeleider in een onderzoekstraject voor dyscalculie. Opgeschort. Haar huiswerk voor rekenen zou ik net zo goed in het Chinees kunnen doen (“wist je dat ze in China vleermuizen eten mam?”). Ze heeft geen idee waar ik het over heb en ik heb geen idee waar ik goed aan doe.
Ik draai wassen, help met school, kook eten, verzin knutselactiviteiten en ga minimaal één keer per dag met ze naar buiten. Tussendoor probeer ik het huis schoon en gezellig te houden. Echtgenoot haalt boodschappen en bereidt lessen voor. Alle werkzaamheden lopen volkomen door elkaar heen. Niets kan even gauw en niets is ooit af. Ik heb totaal geen overzicht. Vanmorgen werd ik wakker zonder te weten welke dag het vandaag is. Er komen barstjes in de opgewekte, liefdevolle juffentoon die ik van mezelf moet bezigen. Toen ik net voor de derde keer naar boven liep voor een vastgelopen printer viel de vastberaden glimlach die ik had opgezet al op de eerste traptree van me af.
Dochter tikt met haar nageltjes op mijn deur. Heb ik spelling al uitgeprint, want het ligt er niet.
Ik zucht en laat mijn hoofd onder water zakken. De stilte ruikt naar gember en drukt aangenaam op mijn oren.

Vanaf vandaag worden mensen die niet voldoende afstand houden en zich in groepen begeven beboet. Onvoorstelbaar eigenlijk dat het zo ver heeft moeten komen. Het is 2020. We hebben comfortabele huizen, stromend water, voldoende voedsel, digitale middelen. Voor veruit de meeste mensen moet het toch niet zo’n groot offer zijn om thuis te blijven? Voor mij in ieder geval niet. Oké, ik mis tijd alleen. Niet eens om te doen waar ik zin in heb, maar gewoon, om te doen wat moet, maar dan in stilte. Ik mis mijn familie en vrienden, mijn collega’s, de regelmaat van school- en werkdagen. Ik mis orkestrepetities en dansles. Ik mis ’s avonds laat voldaan terugrijden en hard meezingen met de radio. Ik mis thuiskomen en horen over elkaars belevenissen. Ik mis de persoon die ik buiten ben, maar waarom laat ik haar niet binnen? Vind ik haar niet goed genoeg voor mijn eigen kinderen?

Eigenlijk loopt alles vooralsnog verrassend soepel. De kinderen zeuren niet over hun schoolwerk, ze maken zelden ruzie, sterker nog, ze hebben het samen spelen herontdekt, nu vrienden van school even niet kunnen komen. Dat onze band ijzersterk is wist ik allang, en toch ontroert het me nog regelmatig als ik ons met z’n vieren aan tafel zie zitten en er gepraat, gelachen en geknuffeld wordt. De kinderen begrijpen best dat de situatie uitzonderlijk is en vragen helemaal geen perfectie van mij. Waarom móet ik dan van mezelf alles volmaakt doen? Ik neem me voor het vanaf nu eerlijk te zeggen als ik iets niet weet, als ik er óók even geen zin meer in heb, als ik even alleen op onze slaapkamer wil zitten met mijn laptop, een mand was of zelfs – een goed boek. Ik beloof mezelf te stoppen met stekelige opmerkingen naar Echtgenoot en hem gewoon te vragen of hij zus-en-zo wil doen (dat gedachtenlezen heeft hij namelijk nog steeds niet geleerd).
En bovenal beloof ik mezelf er continue aan te herinneren dat ik op de fijnste plek ter wereld ben, met de belangrijkste mensen om me heen.
Ik ben vrij, zelfs al moet ik binnen blijven. Ik kan dit. Ik doe dit.
Ik hoor de printer. Die doet het ook.