Ik hou er niet van

Eigenlijk hou ik niet van concerten geven. Bam, ik heb het gezegd. Wie mij goed kent weet het trouwens allang, ik maak er niet per sé een geheim van. Maar het hardop uitspreken, ja zelfs zwart-op-wit opschrijven, is toch wel even een dingetje.
Ik Hou Er Niet Van. Waarvan akte.

Het vak van artiest is ráár. Je wordt geacht op de toppen van je kunnen te presteren terwijl iedereen naar je kijkt. Kom daar maar eens om bij een kantoorbaan, veilig achter je bureau.
Voel je je niet lekker, werkt je lijf niet mee, ligt het werk je niet, heb je je hoofd er niet bij of spelen er andere dingen in je leven? Never mind, op het podium bestaat er niet zoiets als een slechte dag hebben. “Even een tandje lager” is geen optie. Je zit op het puntje van je stoel en vraagt het uiterste van jezelf, elke keer weer, omdat dat nu eenmaal van je wordt verwacht. En als je faalt, faal je publiekelijk. Ieder klein foutje wordt gezien, gehoord, opgemerkt, veroordeeld. Eén valse noot verpest niet alleen jóuw avond, je verkeerde inzet kan er ook voor zorgen dat je een volgende keer niet meer wordt gebeld. En dat is dan je baan. Voor een paar euro per uur.

Als je aan musici vraagt wat ze in godsnaam bezielt om zulk zenuwslopend werk te gaan doen, krijg je niet zelden het antwoord dat ze verslaafd zijn aan de adrenaline, de spanning, de ontlading en, uiteraard, het applaus. Welke puinhoop je ook van je dagelijkse leven maakt, op het podium past alles in elkaar. Het is magisch om met elkaar zo iets moois te kunnen maken. De zaal, de kerk of (ik modder in de marge) de sporthal zit vol mensen en jij staat op het podium, omdat je domweg ergens beter in bent dan de mensen in het publiek. (Mag je hopen. Want de grootste nachtmerrie is een publiek bestaande uit mensen die er écht verstand van hebben of -oh horror- collega’s die precies weten hoe zij het beter zouden doen. Of erger, zitten te hopen dat jij op je bek zult gaan. Maar da’s voer voor een heel ander stuk.)

Ik ben het maar deels met mijn medemusici eens. De magie van samen mooie muziek maken is ook wat míj drijft, maar als ik heel eerlijk ben doe ik dat het liefst tijdens een repetitie. Lekker in een min of meer ongedwongen sfeer mooie muziek maken. Geen hartverzakking wanneer je een fout maakt maar het gewoon nog een keer (of tien…) opnieuw proberen. Als je rust hebt zo zacht mogelijk (maar altijd te hard) kletsen en lachen met je medemuzikanten, of, als het echt te bar is, gewoon even weglopen voor een kopje thee in het zonnetje. Samen iets moois maken doe ik het liefst op mijn blote voeten in een rommelige repetitieruimte.

Helaas is dat niet het voornaamste doel in mijn branche. De repetities zijn slechts een middel voor allerlei concerten die moeten worden gegeven. Dus daar gaan we dan maar weer. Terwijl de mensen een kwartier voor aanvang langzaam de zaal binnendruppelen, betreden wij het podium. Ik ben standaard een beetje misselijk en als ik als eerste hobo het orkest moet stemmen ben ik zelfs voor die ene noot nerveus. Wanneer qua zuiverheid de stemming er goed in zit is het wachten tot de deuren sluiten en de dirigent ten tonele komt. Een wonderlijk wederzijds schaapachtig zwijgen van publiek en orkest waarbij niemand geluid maakt en niemand beweegt.
Het wachten duurt zo’n vijf minuten. Het lijken vijf dagen. Of vijf tellen. En dan komt de maestro op, wij gaan staan, het publiek klapt en we kunnen beginnen.
Horror.

Meestal gaat het me wel redelijk af, maar ik speel nooit zo mooi als ik zonder die druk zou doen. Mijn redding? Voor mezelf een sfeer scheppen alsof ik (zij het nogal opgedirkt) een gewone repetitie heb. Ik moet me enigszins op mijn gemak voelen wil ik mooi kunnen spelen. Kennelijk ben ik niet professioneel genoeg om mezelf volledig uit te schakelen. Het is de belangrijkste reden waarom ik besloten heb alleen nog maar met leuke mensen te willen spelen. Als de sfeer niet goed is verkramp ik bijna, is het gezellig en vertrouwd, dan dúrf ik, en klink ik het best.

Het mooiste aan concerten vind ik het einde – en niet alleen omdat het dan klaar is.
Ik hou van de geladen stilte die er hangt terwijl het laatste akkoord wegsterft. De dirigent staat nog strak in de houding, het publiek houdt de adem in, het orkest zit op het puntje van z’n stoel en pas als de maestro ontspant volgt de ontlading. En het applaus. Het is bijna magisch om, heel even, met zoveel mensen tegelijk in een bubbel te zitten, een gecreëerd vacuüm dat niemand durft te verbreken. (Het zijn trouwens altijd dezelfde mensen die dit moment verprutsen omdat ze niet kunnen wáchten om te gaan applaudisseren. Ik verdenk ze ervan vooral te klappen uit opluchting dat het voorbij is. En hé, I’m the last to blame them.)

Het is dus echt niet alleen maar kommer en kwel, maar favoriet is het niet. Geef mij maar repeteren en lesgeven, dat vind ik een veel ontspannener, vrijere manier om bezig te zijn met muziek, met ruimte voor verrassingen.
De concerten overleef ik door de positieve energie te koesteren die de repetities me gaven. De uitvoeringen zelf zie ik als een prijs die ik moet betalen om in mijn dagelijks leven zoveel met muziek bezig te kunnen zijn.
Maar ik hou er niet van.