Paniek

Het is bijna half één ‘s nachts en ik wandel met S. naar het station als ik het plotseling voel. Ik sta abrupt stil en grijp hem bij zijn arm.
-‘Wat is er?’
‘Ik voel iets.’
- ‘Hè?’
‘Ik voel iets… lopen.’
-‘Wat?’
‘Shit shit shit, het gaat helemaal mis!’
-‘Wat? Nu? Heb je pijn?’
‘Nee, volgens mij verlies ik de baby!’
- ‘Godverdomme. Ga zitten!’. Hij duwt me op een muurtje en kijkt me met bezorgde ogen aan. ‘Heb je pijn?’
‘Nee, dat niet, maar volgens mij verlies ik bloed.’
- ‘Verlies je bloed? Dan bel ik nu 112.’
‘Nee gek! Ik moet toch eerst kijken of het bloed is en hoeveel.’
- ‘Nou, check dat dan even!’
‘Wat, hier?’
- ‘Ja natuurlijk, je moet het toch weten?!’
‘Kunnen we niet gauw naar het station, en dan…’
- ‘Jij verzet geen stap meer, je checkt het hier maar, misschien maak je je druk om niks. Kom op, ik ga wel voor je staan.’ Hij voegt de daad bij het woord en draait zijn rug naar me toe.
Serieus, verwacht hij nou dat ik hier mijn broek uittrek?!
Met zijn armen in de zakken van zijn jasje schermt S. me een beetje af van de verlaten straat, en ik geef me gewonnen. Verborgen achter de brede schouders van deze violist pulk ik aan mijn riem. Als ik mijn hand weer tevoorschijn haal voel ik dat ik een vochtig spoor achterlaat en zodra ik mijn vingers zie snak ik naar adem. Ze glanzen donkerrood in het grauwe licht van de straatlantaarns.
Collega’s ogen worden groot van schrik. ‘Oké, rustig blijven, ik bel een ambulance.’
‘Niet doen!’ Ik knijp mijn ogen dicht en probeer het kopje “Wat te doen bij bloedverlies?” uit de voorlichtingsfolder voor me te zien. ‘Ik moet de verloskundige bellen geloof ik.’
-‘Heb je het nummer?’
‘Jawel, in mijn telefoon.’ Ik gebaar hulpeloos met mijn bebloede vingers naar mijn tas en kijk om me heen. ‘Ik moet iets hebben om mijn handen aan af te vegen.’
S. voelt in zijn jaszak, tevergeefs, en haalt de vioolkoffer van zijn rug. Met enige moeite haalt hij de doek tevoorschijn die hij gebruikt om zijn instrument mee af te dekken. ‘Hier, gebruik deze maar.’
Ik schud ongelovig mijn hoofd.
-‘Toe nou, ik was hem wel weer uit!’
Ondanks alles moet ik giechelen. Ik veeg mijn bebloede vingers af aan de doek en pak mijn telefoon. Vreemd genoeg voel ik me nog bezwaard ook, om op dit tijdstip de verloskundige te storen. ‘Kan ik niet beter wachten tot morgenochtend?’
‘Bellen. Nu.’, commandeert hij.
Ik knijp mijn ogen dicht en fluister: ‘Volgens mij loopt het langs m’n been.’
-‘Prop die doek er dan in!’
Ik kijk hem verbluft aan en hij voegt er droog aan toe: ‘Hij is nu toch al smerig.’
Ik frommel de grote viooldoek in mijn slipje en toets het nummer.
Gelukkig neemt de dienstdoende verloskundige snel op. Ze klinkt helder en vriendelijk, niet alsof ik haar in haar slaap stoor.
‘Ik verlies bloed’, val ik met de deur in huis.
- ‘Zeg me even je naam’
Ik noem mijn naam en hoor haar even rommelen, waarschijnlijk om mijn gegevens erbij te pakken, en dan klinkt haar stem weer in mijn oor. ‘Sinds wanneer heb je bloedverlies, Inge?’
‘Ik merkte het net.’
- ‘En hoe ziet het eruit?’
‘Eh… Rood.’, zeg ik onnozel.
- ‘Zitten er stolsels bij?’
‘Ik geloof het niet.’
- ‘Heb je buikpijn?’
‘Totaal niet.’
- ‘Dat is een goed teken.’, zegt ze vriendelijk.
Ik zwijg en neem een slokje van het flesje water dat S. me aanbiedt.
- ‘Heb je seks gehad?’
Ik verslik me in mijn slok water. ‘Eh, wat, nu net?’
De verloskundige lacht. ‘Nu net, of eerder vandaag misschien?’
‘Vanmorgen’, zeg ik verlegen. Ik draai me een beetje van S. af.
- ‘Bloedverlies bij het vrijen kan voorkomen. Nu je zwanger bent is je baarmoedermond extra doorbloed dus het kan gebeuren dat je wat bloed verliest en dat is helemaal onschuldig.’
‘Dus de baby loopt geen gevaar?’, vraag ik voorzichtig.
Collega, die op het muurtje is gaan zitten, veert op.
‘Dat kan ik niet met zekerheid zeggen.’, antwoordt de verloskundige redelijk. ‘Maar als je geen buikpijn hebt ben ik geneigd te denken dat je bloedverlies met het vrijen te maken heeft. Een miskraam gaat meestal gepaard met stevige krampen en het verliezen van stolsels. Mocht je daar last van krijgen dan moet je natuurlijk even contact opnemen. Maar probeer je voor nu maar niet al teveel zorgen te maken. De kans op bloedverlies na het vrijen is groot, veel groter dan de kans op een miskraam, zeker op jouw termijn, je bent al veertien weken zie ik.’
‘Ik heb dinsdagmiddag een afspraak, is dat vroeg genoeg om te kijken of alles nog goed zit?’, vraag ik een beetje trillerig.
- ‘Jazeker, dan kunnen we het hartje beluisteren en horen of alles goed gaat. Mocht je nu toch pijn krijgen, stolsels verliezen of je veel zorgen maken dan moet je ons natuurlijk meteen bellen. Maar doe voor nu maar even rustig aan en houd even goed in de gaten wanneer het stopt.’
Ik bedank haar, hang op en stop de telefoon weer in mijn tas.
S. springt meteen op. ‘Zei ze nou dat de baby geen gevaar loopt?’
‘Ze denkt van niet. Zolang ik geen buikpijn krijg zit ik waarschijnlijk goed.’ Ik neem een slok water en hoop van harte dat we het hierbij kunnen laten. ‘Zullen we dan maar weer doorlopen?’
- ‘Ja goed.’ Collega hijst zijn koffer weer op zijn rug. ‘Jeetje, wat een opluchting zeg.’
Ik knik.
- ‘Maar dat kan dus zomaar, dat bloedverlies? Je kunt er niets tegen doen?’
Ik voel mijn wangen een beetje warm worden. ‘Nee, niets, het kan blijkbaar gebeuren als…’
- ‘Als…?’
Ik sla mijn ogen neer en voel mijn wangen gloeien. ‘Ze denkt dat het komt door seks.’ Ik word zo rood als mijn nagelriemen en het tekent de zelfbeheersing van Collega dat hij niet lacht. ‘Balen’, zegt hij droog, en daar laat hij het gelukkig bij.
Als we afscheid nemen op het station bedank ik hem een beetje verlegen voor zijn hulp, en beloof hem een nieuwe doek voor zijn viool te kopen. Hij lacht en zwaait zijn been over zijn fiets. ‘Geen probleem. Pas goed op jezelf.’
Ik glimlach.
- ‘Oh, en Inge?’
‘Ja?’
- ‘Doe het een beetje kalm aan hè, je wilt geen baby met een deuk in z’n hoofd.’
Hij steekt zijn tong naar me uit, fietst weg en mijn rode kleur trekt pas weg als ik het perron oploop.  
Ik krijg geen kramp en ik verlies geen stolsels. Helemáál gerustgesteld word ik op dinsdag, als ik het hartje van de baby luid en duidelijk hoor bonzen zodra de doppler op mijn buik wordt gezet.
Ik laat mijn bezorgdheid achter in de verloskundigenpraktijk en ga naar huis met een aantekening op mijn zwangerschapskaart.
Het document dat als het goed is een mooi beeld van mijn zwangerschap zal geven, de kaart die ik straks vol trots in het fotoalbum van ons kindje wil plakken meldt van nu tot aan het einde der tijden in dikke rode letters: ‘bloedverlies na coïtus’.  

Zucht.

[geschreven in 2007 toen ik als 18-jarige student ongepland, maar heel erg gewenst de verrassing van mijn leven kreeg in de vorm van de meest geweldige zoon die een moeder ooit in haar armen heeft mogen houden]