Echo

‘Mevrouw Dijk, komt u binnen.’ De echoscopist kijkt nauwelijks op van zijn klembord en verdwijnt alweer in zijn kamer voordat M. en ik goed en wel zijn opgestaan.
De dames in de wachtkamer zijn stuk voor stuk zeker vijftien jaar ouder dan ik, en ik heb het gevoel dat ze allemaal naar me kijken. Ik word er een beetje opstandig van en vind het bijna jammer dat M. bij me is. Het plaatje was nog mooier geweest als ik, een onnozel tienermoedertje, eenzaam in de wachtkamer had gezeten  met zwart omrande ogen, nicotineaanslag op mijn vingers en een snik in mijn stem. Of zoiets.
De echoscopist schudt ons de hand en stelt zich voor. ‘Neemt u plaats.’
M. en ik gaan zitten op de twee stoelen aan de overzijde van zijn bureau. De man begint te rommelen in een la en haalt er een ronde schijf uit.
‘Zo’, zegt hij opgewekt, ‘U bent in verwachting en komt voor de termijnecho. Wat was de eerste dag van uw laatste menstruatie, mevrouw Dijk?”
Ik stelde me voor als Inge maar hij blijft me mevrouw Dijk noemen waardoor ik aan mijn moeder moet denken en spontaan een beetje misselijk voel worden. Hier zit ik dan, in het ziekenhuis op zwangerschapscontrole terwijl mijn ouders vanuit hun tenen hopen op vals alarm.  
Ik noem de datum.
-‘En hoe lang is uw cyclus meestal?’
Verlegen leg ik hem uit dat dit kindje ongepland is, dat ik de pil heb gebruikt en dus geen idee heb hoe lang mijn cyclus zou moeten zijn. Hij gaat er verder niet op in, neemt 28 dagen als gemiddelde en draait aan de schijf.
‘Kijk mevrouw Dijk, als we er vanuit gaan dat uw menstruatiecyclus 28 dagen duurt, dan bent u uitgerekend op 13 april in het nieuwe jaar. De eisprong, en de bevruchting, zal dan waarschijnlijk hebben plaatsgevonden rond…’, hij raadpleegt de schijf, ‘… zondag 22 juli jongstleden.’
Een zondagskindje, denk ik wrang.
De echoscopist schuift zijn stoel naar achteren. ‘Zullen we eerst maar eens even gaan kijken?’
M. en ik komen gehoorzaam overeind en lopen achter hem aan naar een vertrek aan de zijkant van de spreekkamer, waar een stoel staat met twee akelige voetsteunen eraan.
‘U kunt zich hier even uitkleden. Uw broek en uw slip’, klinkt het terwijl het zachtgele gordijntje met een rats om me heen wordt dichtgetrokken.
‘Mijn sokken ook?’, vraag ik onnozel.
-‘Uw sokken mag u aanhouden.’
De ruimte binnen het gordijntje is erg krap en mijn voeten steken er onderuit. Zoals gezegd hou ik mijn sokken aan, maar ze maken niet dat ik me meer op mijn gemak voel, integendeel: Ik voel me extreem ongemakkelijk in mijn T-shirtje en mijn blote kont. Op sókken. En ik durf ze niet uit te trekken nu ik er zo specifiek naar heb gevraagd. Schutterig schuif ik het gordijntje open en met mijn ogen neergeslagen dribbel ik door de kamer. God, ik voel me zo stom.
De echoscopist kijkt niet op of om en gebaart, zijn ogen op het beeldscherm gericht, naar de stoel.
Ik neem plaats en hij schuift een stuk papier nog wat verder onder mijn billen.
‘U mag uw voeten hier tegenaan zetten’. Hij verstelt wat aan de beugels, ik zet mijn voeten op de plateaus en hoewel half aangekleed voel ik me bloter dan ooit.
M. zit bij mijn hoofd en streelt over mijn arm. Het helpt niks, op dit moment zou ik wensen dat hij thuisgebleven was. Vanzelfsprekend heeft hij me wel vaker naakt gezien, maar dit is voelt klinisch, zo niets-verhullend en zo gênant. M. lijkt echter niet in het minst gegeneerd en glimlacht me bemoedigend toe.
De echoscopist pakt intussen een staafvormig voorwerp, smeert er glijmiddel op en rijdt zijn stoel -welja!- tot tussen mijn benen. 
‘Probeert u te ontspannen mevrouw Dijk, dan…-‘
‘Inge’, flap ik er voor ik het weet uit. Het klinkt snauweriger dan ik bedoel.  
Twee mannen kijken me een tikje verbluft aan en ik voel mijn wangen gloeien. Het lijkt me niet gepast om uit te spreken wat ik dacht, namelijk dat ik niet gewend ben mijn kleren uit te trekken voor een man die mijn naam niet eens weet.
‘Verexcuseer’, zegt de echoscopist met geamuseerd vonkje in zijn ogen, en hij klinkt vriendelijker dan eerst. ‘Probeer je te ontspannen Inge.’
Ik richt mijn ogen op het plafond, M. pakt mijn hand en ik bijt op mijn kiezen als de scherpe pijn door me heen schiet.
‘Ontspan…’ klinkt de kalme stem dwingend.
Wat nou, ontspan, het doet hartstikke zeer!
‘Je baarmoeder ligt hoog, ik moet het apparaat een beetje kantelen’, hoor ik de dokter zeggen en nog geen tel later voel ik de staaf in een andere richting in me porren. Ik wil niet kleinzerig doen maar de tranen springen in mijn ogen en ik knijp in M.’s hand. Gelukkig neemt pijn al gauw iets af.
Dan wordt het schemerige schermpje naar ons toegedraaid.
‘Kijk, dit is de baarmoeder. En dit, dit is het vruchtje. Het kindje.’ Hij wijst naar een klein wit dingetje, dat uit twee bolletjes met stokjes lijkt te bestaan. 
‘Dit zwarte is de vruchtzak met het vruchtwater, dit witte is het hoofdje… Het rompje... Hier zie je de armen en benen en hier zie je iets snel en ritmisch bewegen. Dat is het hartje, en het ziet er prima uit allemaal.’
We kijken ademloos toe. Tot dit moment dacht ik stiekem dat het allemaal één grote vergissing was, die hele zwangerschap. En nu zie ik hier een mensje. Of nouja, mensje... Pinda. Frummeltje. Ding.
-‘We zullen even naar het hartje luisteren.’
Deze keer kantelt hij de staaf zonder waarschuwing. Ik bijt op mijn tong.
Met één druk op de knop zet hij het geluid aan en opeens klinkt er luid en duidelijk wauw-wauw-wauw door de kamer. Ik val helemaal stil. Ongelooflijk dat er behalve mijn eigen hartslag, die ik duidelijk in mijn keel voel bonzen, nog een hartje binnenin mij klopt. En wat gaat dat snel! 
M. vraagt nog iets over de hartactie, maar ik hoor het nauwelijks, ben helemaal in de ban van het ritmische geklop. De gynaecoloog lacht even voordat hij M's vraag beantwoordt, en met dat hij lacht verschuift het apparaat in mij een stukje. Ik druk mijn teennagels in de voetensteun.
De echoscopist drukt op een knop en er rolt een zwart-wit printje uit de zijkant van het echoapparaat.
Tien minuten later sta ik weer buiten, met een vochtige onderbroek van het glijmiddel en vochtige ogen van het wauw-wauw-wauw dat nog nagalmt in mijn oren. 
Ik ben verliefd.

[geschreven in 2007 toen ik als 18-jarige student ongepland, maar heel erg gewenst de verrassing van mijn leven kreeg in de vorm van de meest geweldige zoon die een moeder ooit in haar armen heeft mogen houden]